Implantaten

Een implantaat kunt u vergelijken met een kunstwortel. Een implantaat wordt op de plaats gezet van de wortel van de tand of kies die verloren is gegaan.

Een implantaat is dan ook een kunstwortel van Titanium.

Implantaten zijn gemaakt van titanium en zien er uit als “cilinders” of “schroeven”. Ze zijn klein, hebben een doorsnede van 3,3 tot 5,0 mm en een lengte van 7 tot 16 mm. Ze zijn ongeveer net zo groot als een natuurlijke tandwortel.

Het implantaat is een sterke basis voor een kroon, brug, of kunstgebit.

Wanneer heb je een implantaat nodig?

Als je een tand of kies mist kan je een implantaat laten plaatsen. Op het implantaat wordt dan een kroon geplaatst. Mis je meerdere tanden of kiezen dan kan er ook een brug geplaatst worden of een verankering voor je gedeeltelijke kunstgebit (frame of plaatje).

Draag je een kunstgebit en is er te weinig houvast in de kaak waardoor het kunstgebit niet (meer) goed zit, dan kunnen er 2 of 4 implantaten geplaatst worden. Daarna wordt er een volledige prothese gemaakt die vastklikt op de implantaten (klikgebit).

De behandeling

Waar bot te weinig aanwezig is, kan meestal met een extra behandeling nieuw bot worden geplaatst. Dit kan kunstbot zijn of eigen bot (bijvoorbeeld uit de heup). Na 6 tot 12 maanden kunnen de implantaten gezet worden.

Tijdens de behandeling wordt onder plaatselijke verdoving het implantaat in het kaakbot gezet. In de daarop volgende 2 tot 6 maanden hecht het kaakbot zich aan het implantaat. Daarna kan een kroon, brug of kunstgebit gemaakt worden.

De behandeling kan in 1 of in 2 fasen gedaan worden. Bij 1 fase wordt het implantaat geplaatst en is het afdekplaatje (healing abutment) zichtbaar boven het tandvlees. Bij 2 fasen wordt het implantaat geplaatst en wordt het tandvlees er weer over heen gelegd. Als het implantaat is ingegroeid wordt het tandvlees weer weggehaald en dan wordt pas het abutment geplaatst.